Herinneringen van Josephina Johanna Scheers (via Paul van Haaften)

Mag ik mij even voorstellen:

Ik ben Josephina Johanna Scheers.

Geboren 5 juli 1917 te Amsterdam (in de Houthaven).

 

Mijn ouders zijn:

Vader: Hermanus Scheers.

Geboren 9 mei 1872 te Bemmel.

Getrouwd 11 april 1901 in Elst.

Weduwnaar geworden 8 december 1947.

Gestorven 19 januari 1956 te Elden.

 

Moeder: Hendrika Agatha Philipsen.

Geboren 3 februari 1877 te Valburg.

Gestorven 8 december 1947 te Arnhem.

Mijn ouders waren goed Katholiek en leefden er ook naar; goed voor alle mensen, deden veel voor de armen. Ook voor de kinderen waar ze veel van hielden. Vader was zeer zachtmoedig, geduldig maar had ook een driftig karakter, moeder daar tegenover was strenger wat opvoeding betreft. Mijn ouders vaarden op ‘n zeilschip (groot), de “Frederika”, daar werden de meeste kinderen ook op geboren, veel van mijn broertjes en zusjes in Duitsland, Belgie en dan Nederland. Mijn moeder heeft 19 kinderen ter wereld gebracht waarvan er 8 in leven zijn gebleven.

14 baby's zijn gestorven, allemaal onder het jaar. De jongste ervan kan ik me nog herinneren, dat was Tonny. Hij zou 20 april een jaar worden, paar dagen er voor gestorven. Ik kan mij nog precies voorstellen hoe hij in een klein kistje lag, een wit kleedje aan, er om heen watten met allemaal bloemetjes.

Toen ik ongeveer 2 a 3 jaar werd zijn mijn ouders aan de wal gaan wonen. Kochten een huis aan de dijk met veerdienst in West-Pannerden, half uur lopen van het dorp Doornenburg. Groot huis met Café Winkel. Mijn ouders hadden toen een dienstbode en kindermeisje voor ons. Zij heette Betsie Bannink. Het was in de winkel en het Café erg druk. Er lagen soldaten op het fort wat er een kwartier lopen vandaan lag. Toen wij naar school gingen, ging de kinderjuffrouw weg.

In de vakantie speelden wij vaak in de koeienstal, dan waren de koeien in de wei. Alles was dan grondig schoongemaakt en de onderkant gewit. De muren waren geteerd. Wij kregen dan een oud vloerkleed. De poppen, poppenhuis en ander speelgoed werd van boven gehaald, ook het fornuisje. Als mijn broer er was mocht het worden aangemaakt. Het brandde op spiritus. Wij kregen dan echte aardappeltjes, boontjes en een stukje vlees. We konden dan koken, hadden echte pannetjes en een koekepannetje en het kinderservies werd gebruikt.

Het was een leuke tijd, ook hadden wij een schommel op de deel en als er een fiets stond gingen wij fietsen. Meestal een herenfiets en tussen de stang trappen, zo heb ik fietsen geleerd. Ook speelden wij veel schooltje. In de winter, want er was altijd veel sneeuw en ijs, gingen we iedere dag uit school schaatsen en sleeën dat het een lust was. Mijn moeder kwam ons dan wel eens ophalen. Want dan waren we uit school niet eerst naar huis gegaan. Vanuit het keukenraam kon ze ons dan zien want  het was een ondergelopen stuk weide, heel erg groot. Wij gingen ook veel op visite bij de familie Vermeulen en speelden dan in en op het fort, er lag een ophaalbrug voor. Wij gingen er ook altijd bramen plukken. De familie Vermeulen had geen kinderen dus wij waren er erg welkom en gingen er ook heel graag heen. 

Ik ging met ongeveer vijf jaar naar de bewaarschool bij de Eerwaarde Zusters Dominicanessen. In april, meestal tegen Pasen, kreeg je je rapport mee en ging dan over naar de volgende klas. De eerste keer met mijn eerste Heilige Communie. In de eerste en tweede klas zat ik bij Zuster Catrien, een lief en aardig zustertje.

Het was zo: iedere Zuster of Juffrouw had twee klasjes. 3e en 4e Klas was Juffrouw Matijssen, vond ik ook lief en aardig. 5e en 6e Klas was Zuste. Silvia, die kreeg later ook de 7e klas erbij. Het was toen net dat er een schooljaar bij was. Maart 1929 deed ik mijn Plechtige Heilige Communie en ging toen van school af. Moest nog 12 jaar worden. Ik was een goede vlijtige leerlinge, zoals ze mij noemden, en was de schooltijd vlot doorlopen.

Ik heb een heel fijne jeugd gehad. ‘s Morgens om acht uur ging ik van huis met een eigen gemaakt builtje. Daar zat de boterham in en thermosfles thee en mijn moeder deed er altijd wat dropjes of andere snoepjes in. Dan eerst naar de Heilige Mis, daarna kon je de boterham in het grote lokaal opeten. Er stond in het midden een grote kachel die de Werkzuster lekker had branden. De klompjes moest je uittrekken en de pantoffeltjes had de Zuster om de kachel gezet.

 

Om 9 uur moest je in de klas zijn, begonnen de lessen. Je had je eigen bank met inktpot, griffels, lei en sponsdoos. Ik zat altijd op de eerste rij. In de eerste klas was een jongetje, Josje Terwindt, daar zat ik naast. Was van een heel rijke familie, het was de enige jongen op de hele school. In de volgende klassen plaagden ze er mij mee, dan zeiden ze: "Fientje gaat met Josje", en dat vond ik niet fijn.

Ik moest een half uur lopen van huis naar school, je had er van die slootjes langs de weg en deden wij slootje springen. Soms viel je er in en liep dan met natte voeten. Er stonden ook rijen bomen, daar gingen wij achter verstoppelen, je was soms zo actief bezig met spelen dat je niet aan de tijd dacht en te laat in de school kwam. Moest je regels schrijven, “mag niet te laat komen”. Het is mij maar een keer gebeurd want was altijd trouw op tijd, dat heb ik van mijn ouders, die waren ook altijd met alles precies, alles was ingedeeld.

Toen ik dan iets ouder werd moest ook ook aan het werk. Als ik om 12 uur uit school kwam moest de tafel gedekt voor 11 personen, vader, moeke, grootmoeder, 3 broers, 4 zussen en ik. Dan werd het eten opgediend. Eerst de “Engel des Heeren” bidden, als het eten op was moest ik afruimen en naar de deel brengen (dat was een soort bijkeuken), afwassen, pomp poetsen, kleed met stoffer en blik, bij vegen, tegels dweilen en dan vlug naar school.

De schooltijden waren van 9 tot half 12 en van 2 tot 4 uur. Uit school had Moeke de thee klaar en stond de koekjestrommel midden op tafel, zaten wij rondom, daarna mochten wij spelen tot 6 uur. In de zomer buiten. Wij speelden vaak moedertje, winkeltje of schooltje met de kinderen uit de buurt. In de winter speelden wij altijd binnen of op de slaapkamer boven. Daar stonden 2-persoons bedden, langs de andere kant een lange tafel waar het speelgoed op stond. Poppen, groot en klein, poppenbedjes, poppenwagen, winkel en poppenhuis.

Als wij ‘s avonds naar bed gingen moesten wij eerst de rozenkrans en litanie bidden en speelden vaak kerkje. Zuster Blanda was er altijd bij, die bad altijd voor, de poppen mochten ook mee. Zaten wij aan het kopeind van het bed, dat was de zogenaamde kerkbank, daarna nog even met de poppen spelen en dan was je zo moe dat je meteen sliep.

Ik ben ook nog 4 maanden op naaischool geweest bij de Zusters; van april tot augustus. Toen kreeg ik vakantie en ben toen mee gaan varen met mijn broers Jozef en Herman op de “Rika”, motorsleepboot. Daar zorgde ik voor het eten, drinken en de boel bijhouden. Ook stond ik soms aan het haspel (roer). Wat was ik dan trots als ik langs Pannerden vaarde. Vader kwam dan even met motorboot de was halen en brengen en boodschappen. Er was voor mij altijd wel iets lekkers bij, dat had Moeke er in gestopt, en een briefje. Alles stond dan aan de wal te zwaaien en als het erg laat was bleven wij daar liggen en de volgende dag weer verder. Toen de vakantie om was moest ik weer naar de naaischool, maar had er geen zin meer in. Ik vond het zo fijn aan boord en ben toen van school afgegaan. Heb ook een tijdje met Jozef alleen gevaren. Herman moest plotseling naar het ziekenhuis. Ik ging dan ook de machinekamer in, want de motor moest om de paar uur gesmeerd worden. Ook moesten wij ‘s avonds soms nog de puntjes van bougies schuren en ‘s morgens de boot afspoelen, ik was ‘n echte bootsman. Ik vond het allemaal zo prachtig en zo jong als ik was dacht ik: “ik trouw later met een schipper”, maar dat veranderde allemaal toen mijn oudste  broer ging trouwen. Ik ben toen nog 2 maanden mee gevaren. Ik kon thuis blijven, in de winkel of het café maar voelde daar niet voor en ging liever in betrekking. Ik kwam bij de familie Van den Akker, Van Peltlaan 32 in Nijmegen.