Het openbaar vervoer

   = tramdiensten =

  

In den beginne was daar natuurlijk de paardentram, welke goedkoper en minder vervuilend was dan de Stoomtram.

 Maar toch wist de stroomtram het van de paardentram te winnen.

 

 

Voorbeeld van hoe de paardentram er destijds uit moet hebben gezien

( paardentram Baarn-soest 1924)

 


En hier begint de geschiedenis van het openbaar vervoer

De geschiedenis van de Betuwse Stoomtramweg Maatschappij begint omstreeks 1898

als de eerste plannen in de krant verschijnen

voor de aanleg van een elektrische tram door de Betuwe, van Arnhem naar Nijmegen, via Huissen en Bemmel naar Lent.

Die plannen worden aangevuld met aftakkingen naar Ressen en naar Gendt/Doornenburg.

 

Deze plannen zullen echter op niets uitlopen.

Na enkele mislukte pogingen om een tramlijn door de Over-Betuwe op te zetten, volgde er in 1903

een nieuw initiatief waarbij de Bemmelnaren

 

P. van Bunge, W. Breunissen, H. Langemeijer, C. Rijssenbeek en J. Stolk betrokken waren.

 

Nadat zij de burgemeester van Elst, Baron Van der Feltz, warm hadden gemaakt voor hun plannen,

werd een comité gevormd waar ook G. Erdkamp uit Elst, A. Knipping uit Lent en J. Pruijn uit Elden toetraden.

 

 

Door het comité werd een concessieaanvraag ingediend voor een tramwegonderneming

waarvan de lijn begon bij de schipbrug naar Arnhem in Elden en eindigende bij de pont naar Nijmegen in Lent,

door Elden, Huissen, Bemmel, Vossenpels en Lent.

 

Verder omvatte de aanvraag een zijtak van Bemmel naar het station in Elst en een verbinding van Huissen, over Angeren,

 

Doornenburg en Gendt naar Bemmel.

 

Later werd nog het tracédeel Elden-Elst-Lent aan de aanvraag toegevoegd.

 

Na een doorlooptijd van enkele jaren ontwikkelde het initiatief zich zodanig voorspoedig dat op 16 februari 1907

ten overstaan van notaris Van Bunge tot oprichting van de N.V. Betuwsche Stoomtramweg-Maatschappij (BSM)

kon worden overgegaan.

 

Er was bij het maken van de plannen en het berekenen van de financieringsbehoefte aanvankelijk

uit kostenoverwegingen gekozen voor een spoorbreedte van 75 cm, maar op last van het Ministerie van Waterstaat,

Handel en Nijverheid diende, in verband met mogelijk in de toekomst gewenste uitwisselbaarheid met naburige tramdiensten,

de aanleg plaats te vinden met een spoorbreedte van 106,7 cm.



 Werkplaats aan de Karstraat in Bemmel

 

Aan de Karstraat in Bemmel liet de maatschappij in 1908 naast een administratiegebouw een locomotievenloods

en werkplaats bouwen.

 

 In 1910 zou Bemmel ook de statutaire vestigingsplaats van de BSM worden.

 Kort voordat de gebouwen werden opgeleverd, waren de eerste twee van de in totaal vijf geplande tracés gereedgekomen:

 

tracé 1 Lent-Elst-Elden en tracé 2 Elst-Bemmel.

 

Op zaterdag 12 december 1908 werd hierop de officiële openingsrit gereden.

Vanaf 14 december 1908 reden BSM trams dagelijks tussen Bemmel en Elst en tussen Elden en Lent.



De opening van de nieuwe lijnen der Betuwsche Stoomtram 12 december 1908

  

Vanaf 1909-1910 opende de trajecten: 

Elden – Bemmel – Lent,

Bemmel – Pannerden Veer en

Huissen – Angeren – Doornenburg

 

 

Tramhalte Doornenburg (voormalig West-Pannerden) Sterreschans. (foto Frans Willemsen)

 

 

De BSM kende al meteen een matige start.

Gemeten naar afgelegde kilometers was 1912 nog het drukste jaar, met 323.000 km.

 

Daarna begon het aantal gereden kilometers al af te nemen.

Toch werd tot en met 1917 nog wel een bescheiden positief resultaat gedraaid.

 

In 1918 bedroeg het aantal tramkilometers nog slechts 160.000. Het verlies van dat jaar ad ƒ 29.000

was bijna even groot als de som van de winsten over de jaren 1912 tot en met 1917.

De eerste stemmen die riepen om liquidatie van het bedrijf werden al gehoord.

 

Een belangrijke oorzaak van de tegenvallende ontwikkelingen was de mobilisatie.

Toen die op 1 augustus 1914 werd afgeroepen, moest ook een gedeelte van het personeel van de BSM onder de wapenen.

Het gevolg was, dat een beperkte dienstregeling moest worden ingevoerd.

Verder liepen in de periode tot eind 1918 de brandstoffenprijzen fors op.

Tegenover de halvering van het aantal tramkilometers in de periode 1914-1918 stond een verdubbeling

van de kosten per kilometer, vooral door de sterk gestegen brandstofprijzen.



 

Kaart van de trajecten van de Betuwse Stoomtram Maatschappij

 

 

De maatregelen van de BSM om de aantrekkelijkheid van de tram te vergroten,

hadden vooral te maken met de opkomst van autobusdiensten.

 

Op 10 april 1924 begon de firma Van Eldik een busdienst tussen de schipbrug bij Elden, via Elst, naar de veerstoep in Lent.

De busreis duurde 50 minuten, waar de tram eerder 60 minuten nodig had.

 

Rond 1930 werd duidelijk dat alleen elektrische of dieselmotortrams in stedelijke gebieden de concurrentie

met de autobus met succes aan zouden kunnen gaan.

 

Op het platteland was de tram gedoemd om te verdwijnen.

Een koppeling met het tramvervoer in de steden Arnhem en Nijmegen was door het ontbreken van vaste oeververbindingen

geen optie. Weliswaar tekende de komst van bruggen bij Arnhem en Nijmegen zich af, maar voor de BSM was het te laat.

 


 = Busdiensten =

 

In 1932 nam de directeur van de Geldersche Tramweg-Maatschappij (GTM) de leiding over en werd de BSM opgenomen in de GTW.

Bussen gingen de reizigersdienst verzorgen.

 

Een jaar later vervingen vrachtauto's de goederentrams.

Er bleven nog enkele markttrams rijden, maar in 1935 was ook dat afgelopen.

 

De BSM was nu een "papieren" maatschappij geworden: de bussen reden onder de vlag van de GTW.

In 1941 werd de naam van de BSM veranderd in Betuwsche Tram-Maatschappij (BTM).

Het jaar daarop werden de concessies voor de buslijnen in de Over-Betuwe toegewezen

aan de nieuw opgerichte Autobusdienstonderneming Velox, die eigendom was van de NS.

Na de bevrijding kreeg de BTM haar vergunningen voor de oostelijke Over-Betuwe echter terug.

In 1954 werden die overgedragen aan het moederbedrijf GTM.

 

In 1977 werd GTW Streekvervoer verkocht aan de Nederlandse Spoorwegen,

die het de naam Gelderse Streekvervoer Maatschappij (GSM) gaf.

 

De andere GTW-onderdelen gingen zelfstandig verder.


         

                                             Oude GSM- Bussen, lijn 33 reed door Doornenburg.

 

 Waar voorheen contant betaald werd, werd op 8 mei 1980 De Nationale Strippenkaart

(kortweg: "strippenkaart") ingevoerd

welke tot 3 november 2011 gebruikt werd in het Nederlandse openbaar vervoer, zo ook in Doornenburg.

De kaart kostte destijds fl 2,50 voor 15 strippen.

Deze werd in de bus door de chauffeur afgestempeld.


 Strippenkaarten

 

 

Vanaf 2009 werd de strippenkaart geleidelijk vervangen door reizen op saldo met behulp van de OV-chipkaart

Vroeger reden de bussen tot  de halte aan de Sterreschans en reden boven een de dijk een rondje

om vervolgens weer terug te rijden naar het dorp.

 

Doornenburg heeft momenteel 7 bushaltes op beide routes namelijk:

 

Stenen palen, De Linge, Krakkedel, de Woerd, Duistere straat, van Kol  (recentelijk aangepast aan de laatste eisen)

en Blauwe Hoek.



 

 

 

Aanpassing opstapplaats bushalte van Kol aan de Duisterestraat

 

 

Lijn 33 is een buslijn tussen Arnhem, Huissen, Angeren, Doornenburg, Gendt, Haalderen, Bemmel, Doornik,

Lent en Nijmegen. en vice versa

 

De bus is  op 2 juni 1996 ontstaan uit een herschikking van lijn 3 tussen Wijchen en Doornenburg

en lijn 33 van Arnhem naar Gendt/Bemmel.

 

Daarbij is de bus doordeweeks in het ochtenddal twee- in plaats van eenmaal per uur gaan rijden.

 

Lijn 33 werd verzorgd door Hermes en Connexxion

Per 13 december 2009 werd de exploitatie voorgezet onder de naam Breng.

Vanaf die datum ging lijn 33 op maandag t/m vrijdag vanaf station Nijmegen doorrijden naar Heyendaal

totdat de nieuwe RijnWaalSprinter zou gaan rijden.

 

Naast lijn 33 is er op onbekende datum ook een lijn 34 opgericht

een buslijn die van Velp Zuid via het zuiden van Arnhem naar Huissen, Angeren, Doornenburg, Gendt,

Haalderen en Bemmel gaat.

De buslijn reed doordeweeks slechts twee of drie keer per dag, afhankelijk van de richting.