De Doornenburgse molen(s)

= De Doornenburgsche molen =

 

De mensen van Doornenburg leefde vooral van de landbouw.

Behalve over een groot aantal boerderijen en huisjes van landarbeiders beschikte men in Doornenburg ook over een molen.

 

De eerste vermelding van een molen in Doornenburg is van 29 juni 1321.

 

In Angeren verkochten toen Mechteld, (de weduwe van ridder Wolter van Dornick)  en haar zonen Willem en Wolter

met hun echtgenoten Belia en Aleida, een in de parochie Doornenburg gelegen grondstuk met daarop staande windmolen

aan broeder Heinrich von Grafental.

 

Het goed was vrij van dijkplicht en andere lasten.

De molen kan in deze tijd nog op de oude Molenberg-Meulenberg (boerderij achter de Pannerdenseweg) gestaan hebben.

 

De volgende keer dat de molen in beeld komt is op 16 maart 1392. Willem van Gullik (hertog van Gelre)

geeft dan het recht op de wind en het volkomen maalrecht van Gendt, Doornenburg en Angeren in erfpacht aan zijn raad,

ridder Jan van Bilant.

Sindsdien werden de opvolgers van Jan van Bilant, de heren van Doornenburg, er altijd mee beleend door de hertogen van Gelre.

  

In feite waren de molens dwangmolens.

Alle boeren van de drie dorpen waren verplicht er hun koren te laten malen.

De molenaars hadden in principe dus geen concurrentie te vrezen maar daar stond tegenover,

dat zij wel een overeengekomen som geld of graan aan de kasteelheer moesten betalen.

  

De molens van Gendt en Doornenburg stonden volgens zeggen tegenover elkaar.

Ten behoeve van de gunstige windvang was er een eind buiten de bebouwing van het dorp een windmolen gebouwd.

 

In de meest zuidwestelijke hoek van Doornenburg was deze standerdmolen

(= molen gebouwd op een stenen standerd met een houten bovenbouw die in zijn geheel op de wind gedraaid kon worden)

geplaatst bij een kruispunt van wegen.

 

 

 

 

Voorbeeld van een standerdmolen

 

Behalve een gunstige windvang had de molen dus een goede bereikbaarheid uit alle vier de windstreken.

Aan de andere kant van de weg, op Gendts territorium, stond daarnaast een rosmolen, waarin gemalen werd als het windstil was.

Hierin werden de molenstenen namelijk aangedreven door een ros (= paard).

 

 

 Voorbeeld van hoe het in een rosmolen aan toe ging

 

 Ook stond er het huis en de hofstede van de mulder (= molenaar).

De molen werd steeds voor zes jaren verpacht en een pachtjaar liep van mei tot mei.

De molen kostte altijd veel onderhoud aan het houtwerk, vanwege slijtage.

 

In het begin van de negentiende eeuw had de familie Janssen de molen in pacht.

 

Bij een storm van 29 november 1836 is deze Doornenburgsche molen  (van het bouwjaar 1792) helaas ingestort.

 

= Korenmolen "De Hoop" =

 

Na de instorting van de Doornenburgsche molen in 1836 werd er in datzelfde jaar een nieuwe beltmolen gebouwd.

Dit was een molen op een belt (=bult) met een draaibare kap.

 

 

De Hoop gezien vanaf de huidige van der Schuerenweg ca. 1920

hier zien we duidelijk dat de molen op een bult (belt) staat

 

Tegenover de molen stonden schuren die werden gebruikt als veestal, koetshuis en rosmolen.

Bij de molen was ook een woonhuis dat tevens gedeeltelijk in gebruik was als kruidenierswinkel en bakkerij.

Aan de overzijde van de straat stonden ook schuren die gebruikt werden als veestal, koetshuis en opslag.

 

 

De Hoop met haar bijgebouwen welke hier duidelijk te zien zijn

 

Sinds 1837 was de molen aan de familie Hoogveld verpacht.

In 1921 verkocht de toenmalige eigenaar, Baron van der Heijden, aan drie heren in Arnhem en Velp de windmolen,

welke op hun beurt een jaar later de molen verkochten aan de mulder Kobus Hoogveld.

 

Kobus (Jacobus Stephanus) Hoogveld nam het bedrijf van zijn vader

Nadat Kobus gehuwd was, werd er voor de overgebleven broer en zussen een nieuwe woning gebouwd, de Molenhof.

 Er was immers geen plaats meer in het ouderlijk huis.

 Jan, de broer van Kobus, ging met de broodkar rond. Daarom werd hij in de volksmond: “Jenje Meulenkar” genoemd.

 

 

 Familie Hoogveld ca. 1930

 

Op 27 september 1944 werd de korenmolen “de Hoop” opgeblazen door de Duitsers.

 

Een miniatuurmolen in de tuin van de familie Hoogveld heeft nog lang herinnerd aan de belangrijke rol die de molen

gedurende 600 jaar had vervuld. Inmiddels is deze ook verdwenen.

 

 Een oude ansichtkaart met hierop de miniatuurmolen nog in de tuin