Middelen van bestaan


=Middelen van bestaan=

 

 

Doornenburg was een typisch Betuws agrarisch dorp. De vruchtbare stroomruggronden zijn van oudsher geschikt

voor akker - en weidebouw, en fruitteelt.

De laaggelegen, natte komgebieden waren in gebruik als kruidenrijke hooilanden en naweide.

 

 

In 1573 was het Doornenburg 400 morgen en 3 Roeden groot

(een morgen was doorgaans iets minder dan een hectare groot, 600 roede was ongeveer 1 morgen)

 

In 1817  was het 383 morgen

 

In 1815 werd 'De Honderd Morgen' van Pannerden bij het grondgebied van Doornenburg getrokken

 

Circa 1840 was het Doornenburg 82 huizen en 600 inwoners rijk

 

De Roswaard (80 ha) bestond in die periode uit weiland, tuinen en rijswaarden met 10 huizen en een

steenbakkerij.

 

Al vanouds had de Gelderse landsheer het recht op de gemene gronden.

De ambtman zag erop toe, dat de gemeente niet werd aangetast.

In 1528 gaf hij toestemming een deel van de Doornenburgse gemeente te verpachten

 

 

In 1356 strekten de visserijen van Pannerden zich uit tot aan de gemeente van Doornenburg.

De hertog van Gelre gaf in 1392 de wind en het gemaal in Gent,Doornenburg en Angeren in erfpacht

aan ridder Jan van Bilant

 

 

Kasteel Doornenburg , Burgse en Gendtse molen stonden tegenover elkaar aan het eind van deMolenstraat,

op de grens van Hulhuizen/Gendt.

 

Bij een vliegende storm in 1856 stortte de Doornenburgse molen in en werd vervangen

door een stenen windkorenmolen


 Doornenburgse molen in prosessietooi

 

  

In de 17e eeuw (mogelijk eerder) was onder de Betuwse bevolking een sociale of economische gelaagdheid ontstaan.

De meest voorkomende categorieën waren: hele boer, halve boer, keuter en arbeider.

 

De grens tussen hele en halve boer lag ongeveer bij 40 morgen land; van boer naar keuter tussen 10 en 20 morgen.

Bedrijven met minder dan 3 paarden waren keuters, met 3 tot7 paarden halve boeren en met meer dan

7 paarden hele boeren.

Personen zonder paarden waren niet-boeren

 

Voor Doornenburg was in de 17e eeuw de paardenfokkerij belangrijk.

 

In 1697 hielden 22 van de 41 huishoudens paarden, waarvan 6 bedrijven met 1 paard, 3  bedrijven met 2 paarden,

5 met 3 paarden, 1 bedrijf met 4 paarden en 3 bedrijven met meer dan 5 paarden.

Zo bezat de Doornenburger Albert Jansen omstreeks 1700 als hele boer vier paarden.

Paarden waren onmisbaar bij de dijkwerkzaamheden.

  

In de 17e eeuw kwam de tabaksteelt in zwang. De tabak gedijde het best op lichte, zandige grond.

Hiervoor waren de lichte stroomruggen en de overslaggronden geschikt.

De tabak vroeg veel mest en werd geteeld op en nabij huiserven van boerderijen.

 

 

Vanaf de tweede helft van de 17e eeuw kwam de beddenbouw in zwang

Vanwege de windgevoeligheid van de tabak schermden de telers hun perken af door middel van elzenhagen

of door rijshout. In het rivierengebied leverden de elzenpassen en de rijswaarden het benodigde hout voor de heggen.

 

 

In 1654 was er al tabaksteelt in het Betuwse Elst en in 1676 in het Bemmel.

 

De tabaksteelt nam in de 18e eeuw in de Betuwe een enorme vlucht zoals te Angeren, Huissen, Herwen en Aerdt en

 

Pannerden. Het is niet bekend, wanneer voor het eerst in Doornenburg tabak is geteeld.

Vermeldenswaard is dat na de aanleg van het Pannerdensch Kanaal in 1707 de tabaksteelt

in het Land van Maas en Waal toenam vanwege de afname van de kwelgevoeligheid.

 

De Doornenburger Gerrit Verway, halve boer had in 1698, 40 pond vlasgaren bij de wever gebracht

en we gaan er vanuit dat hij zelf vlas verbouwde.

De eerste vermelding van de verbouw van aardappelen in de republiek komt uit de OverBetuwe.

Hendrik Keultjens een halve boer uit Bemmel bezat in 1699 '1 cuijp off vleiston met erd appelen'75.

In Doornenburg bewaarde iemand in 1718 wat aardappelen bij andere etenswaren.

 

Omstreeks 1840 hield een aanzienlijk deel van de Pannerdense arbeiders zich bezig met baggeren

en wassen van riviergrind voor wegen en andere werken.

Provincies als Zeeland, Holland, Groningen en Friesland waren goede afnemers.

 

Tussen 1850 en 1880 nam de fruitteelt een grote vlucht.

Menig akker maakte plaats voor hoogstamboomgaarden.

De bodem van de Doornenburgse stroomruggen was uitermate geschikt voor kersen, appels en peren.

Op de lagere, nattere gebieden stonden in de regel pruimen en stoofperen.

 

 

Aan het begin van de 17e eeuw is er sprake van kleiwinning in uiterwaarden.

 

Aan het eind van de 19e eeuw nam de steenfabricage in de Betuwe een grote vlucht.

In de omgeving van Doornenburg en Pannerden rezen de steenbakkerijen de pan uit zoals op de Ossenwaard,

de Aerdtse Waarden, de Kijfwaard, de Angerense en Huissense Waarden, de Roswaard enz.

 

 

Aan het eind van de 18e eeuw had de Arnhemse firma Viervant, Van Kesteren

en Compagnie eenveldoven in de Roswaard.

 

 

In 1818 kocht Henricus van Heukelum een bouwhof 'de Roswaard' met steenoven.

In 1853 brandden er 4 veldovens af.

Na 1850 kwam er een cementfabriek (met een door paarden aangedreven trasmolen).

 

 

Steen- en cementfabriek werden tijdens de Tweede Wereldoorlog verwoest, behalve een veldoven.

Een groot deel van de Roswaard is afgegraven voor de baksteenfabricage.



 Doornenburgse Steenfabriek