In den beginne




De Steentijd (4400-1700 v. Chr.): 

De eerste boeren vestigden zich in de Betuwe

Tijdens de Bronstijd nam de bewoning toe.

 

Ten westen van Doornenburg bij Het Meer en Kamervoort zijn bewoningsplaatsen uit de IJzertijd (700-50 v. Chr.) aangetroffen.

Het waren boeren in kleine nederzettingen. Ze woonden aan het water, langs dode armen van Rijn.

In Doornenburg en Gendt zijn diverse plekken in de Late IJzertijd en met name in de Romeinse tijd bewoond geweest zoals De Woerd, de Zwarte Hof 

en de Kamp, de Loohof en de Woerd te Gendt.

De mensen woonden op de stroomruggen van de pré-romeinse Rijn, meestal aan het water van dode rivierarmen. 


Tussen 400-800 na Chr


Het gebied vernatte en veel bewoners trokken weg naar de hogere gronden.

 

Sinds 800-900 na Chr. 

Het gebied rond Doornenburg raakte intensief bewoond.

 

De eerste vermelding van Doornenburg dateert uit 814.

Een zekere Waldo schonk onder andere een halve boerderij in de nederzetting Doornenburg

 

                                  - 'et in villa Doronburc mansum dimium'-

 

Aan het klooster Lauresham (Lorsch). Met die halve boerderij wordt vrijwel zeker het perceel 'de Vlasten' bedoeld, (dat 8 morgen groot was). 

Het perceel ligt in de binnenbocht van de pré-romeinse stroomrug van de Rijn, omgeven door een restbedding en ingeklemd tussen het kasteel,

de kerk, de percelen de Kamp, de Woerd, de Zwarte Hof en de Rijnstraat (voorheen Landweer).

 

In die periode ontstonden ook de nederzettingen van Angeren (9e eeuw),vHuissen (850-865 Husnin), Gendt (790 Gannita), Herwen (897 Carvio), 

Spijk (908 Herispich), Hoekelum bij Pannerden (814/815 Hukilheim) en Pannerden (1052 Pannerdum) 

Vooral in het Rijnstrangengebied wierpen de bewoners later huisterpen (pollen) op zoals Bevershof, Orsoutstede, Bottestede, Kersendijkstede,

de Brouwerij (Roswaard) en Bergsche Hoofd.

 

Het landschap van de stroomruggen in de Betuwe moet in de 10e/11e eeuw uit parkachtige loofbossen hebben bestaan met onder meer eik, iep,

beuk en linde. Binnen open ruimten in de bossen hadden de boeren hun akkers en weiden.

Een overblijfsel uit het hardhoutooibos is wellicht onze markante, oude eik naast kasteel Doornenburg.


Kasteel Doornenburg met oude eik.

 

De moerassige komgebieden ten westen van Doornenburg waren begroeid met ruigten en wilgen en elzen.

In de zomer bij langdurig droge perioden waren de kommen begaanbaar en dreven de boeren er hun vee in.

 

(bron: In de ban van de Betuwse dijken)

 

 

Tot zover de eerste tekenen van leven in ons nu nog altijd prachtige en bruisende Doornenburg.

Maar er is nog zoveel meer te leren over de geschiedenis van ons durpke